Innovatieve dotterbehandeling

Hartpatiënten die gedotterd zijn op basis van bloeddrukmetingen vóór en achter de vernauwingen in een kransslagader hebben na vijf jaar nog altijd 30 procent minder kans op hartdood dan patiënten die volgens de traditionele manier zijn geholpen. Dat blijkt uit onderzoek van het Catharina Hart- en vaatcentrum uitgevoerd door prof.dr. Nico Pijls (cardioloog).

Bij het plaatsen van een stent tijdens een dotterbehandeling is er altijd een risico op complicaties. Uit de eerste FAME-studie (Fractional Flow Reserve versus Angiography for Multivessel Evaluation) bleek al dat dotteren op basis van bloeddrukmetingen tot betere resultaten leidde. Met een speciale sensor werd de bloeddruk vóór en achter een vernauwing gemeten, de zogenoemde Fractionele Flow Reserve-meting (kortweg FFR-meting). Aan de hand van die meetresultaten werden alleen stents geplaatst in vernauwingen die een afwijkende FFR-bepaling hadden. Die verfijnde meetmethode is ontwikkeld en geperfectioneerd in het Catharina Ziekenhuis en scheelt alleen al in Nederland 200 doden per jaar.

Met de conventionele methode is het voor cardiologen maar beperkt mogelijk – met een nauwkeurigheid van slechts 70 procent – om visueel de ernst van een vernauwing af te leiden en om vast te stellen of die vernauwing gepaard gaat met zuurstoftekort. Met de FFR-methode is die nauwkeurigheid 95 procent.

Wereldwijd toegepast

Inmiddels wordt de in het Catharina Ziekenhuis ontwikkelde FFR-meting wereldwijd toegepast in alle grote hartcentra en heeft de procedure ervoor gezorgd dat er minder stents nodig zijn, dat de behandeling goedkoper is en dat de ziekenhuisopname korter is geworden. De recente studie is gedaan door cardiologen in opleiding Lokien van Nunen en Frederik Zimmermann onder leiding van prof. dr. Nico Pijls van het Catharina Ziekenhuis.